Het recht op verwijdering betekent dat iemand in bepaalde situaties kan vragen om zijn of haar persoonsgegevens te laten verwijderen.

Dit recht wordt in de AVG officieel het recht op gegevenswissing genoemd en staat ook bekend als het recht op vergetelheid. Het is vastgelegd in artikel 17 van de AVG.

Een organisatie moet persoonsgegevens bijvoorbeeld verwijderen wanneer deze niet meer nodig zijn voor het doel waarvoor ze zijn verzameld, wanneer iemand zijn toestemming intrekt en er geen andere geldige grondslag is, of wanneer de gegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Ook bij een geldig bezwaar tegen bepaalde verwerkingen kan verwijdering aan de orde zijn.

Voor marketeers is dit bijvoorbeeld relevant bij persoonsgegevens in CRM-systemen, mailinglijsten, leadformulieren en andere marketingdatabases. Als iemand terecht vraagt om zijn gegevens te verwijderen, moet je kunnen achterhalen waar die gegevens binnen de organisatie worden verwerkt en beoordelen welke gegevens moeten worden gewist.

Simpel gezegd: iemand kan in bepaalde situaties zeggen: “Ik wil dat jullie mijn persoonsgegevens verwijderen.” Als aan de voorwaarden van de AVG is voldaan, moet de organisatie daar gehoor aan geven. De Autoriteit Persoonsgegevens noemt dit ook het recht op vergetelheid of het recht op gegevens verwijderen.

Voorbeeld
Iemand heeft zich ooit aangemeld voor een marketingdienst en daarbij persoonsgegevens achtergelaten. De dienst is inmiddels beëindigd en de gegevens zijn niet meer nodig voor het oorspronkelijke doel. Als er ook geen andere geldige reden is om de gegevens te bewaren, kan die persoon verzoeken om verwijdering.

Goed om te weten: het recht op verwijdering is niet absoluut. Een organisatie mag of moet persoonsgegevens soms blijven bewaren, bijvoorbeeld wanneer dat nodig is om aan een wettelijke verplichting te voldoen of wanneer andere rechten en belangen zwaarder wegen. Artikel 17 lid 3 van de AVG noemt hiervoor verschillende uitzonderingen.